Vloeistofvrij kompas

We lagen voor anker voor de Iraanse kust. Er heerste een gortdroge hitte. De vochtigheidsgraad van de lucht was niet te meten met de ‘droge’ en ‘natte bol’, zoals we die van het KNMI hadden meegekregen om als ‘selected ship’ meteorologische waarnemingen te doen.

Contact met de wal was niet nodig. We hadden voorraden genoeg en wachtten slechts op de ellende van een ander, om dan tegen redelijke vergoeding hulp te verlenen. Maar elke dag zagen we de vissersboten voorbij varen op hun heen- en terugreis naar visrijke wateren en zoals wij hen bekeken, bekeken zij ons. 

De vissers namen de eerste stap. Die leidde op één of andere manier er toe, dat we in het vissersdorp werden uitgenodigd voor een bezoek. Omdat een sleepboot op station bedrijfsklaar moet blijven ging eerst een helft van de bemanning op een onveranderd droge, hete dag op Perzisch huisbezoek. Het werd geen middagje stappen zoals de maten dat gewend waren. Wat de meeste indruk maakte was het uurtje dat de hele groep op het warmste gedeelte van de dag samen met de gastheer onder een laken werd gelegd, waaruit bleek dat zelfs de autochtonen respect hadden voor de voor hen toch bekende weersomstandigheden.

Op een dag kreeg ik één van de vissers op bezoek die mij een vloeistofkompas toonde dat zich geheel aan de plaatselijke meteorologische omstandigheden had aangepast: het was volkomen uitgedroogd. Op de roos was niets meer te onderkennen van  een aantekening van de windstreken. Het verzoek was om van het in verval geraakte navigatie-instument weer een bruikbaar exemplaar te maken. Dat dit alleen aan specialisten kon worden overgelaten kon ik de man met geen mogelijkheid duidelijk maken. Ik kwam er niet onderuit, vulde het apparaat met één of andere vloeistof en schilderde op de roos, gezeten naast ons goed gecompenseerde moederkompas wat windrichtingen. Het bijgeprutste apparaat werd weer opgehaald, waarna we gelukkig geen berichten hebben ontvangen van een vermiste vissersboot. Misschien was de visser wel de enige van de locale vloot met een ‘werkend’ vloeistofkompas en werd dit statussymbool alleen als zodanig ‘gebruikt’ en verder genegeerd, om als gewoonlijk met de ongetwijfeld eeuwenlang aanwezige zeemanschap weer thuis te varen.  

november 2, 2008
By on 20:41
Manhattan, Pier no. 1

Ik weet niet hoe de eerste Hollander, die ongeveer hier aan land stapte zich toen voelde, maar één ding hadden de vroege koloniaal en ik gemeen: we betraden een onbekende wereld. Ging het enkele eeuwen geleden om een woestenij met wellicht ergens in de verte een argwanende Indiaan, nu, in 1970 liep ik een enorme, drukke stad tegemoet die op mij een dreigende indruk maakte. Dat zal ook aan de koude decemberdag hebben gelegen en aan mijn gemoedstoestand, want met dat laatste was het niet zo goed gesteld.

Daar lagen we dan met onze havensleepboot uit IJmuiden om de volgende dag een sloper vast te maken met bestemming Alicante, de winterse Noord Atlantic over! Dat was al niet zo’n prettig vooruitzicht, maar daar kwam bij dat die middag onze kapitein ontslagen was en we er achter waren gekomen dat er geen kachel bij het runnermateriaal was. Je kon die jongens niet in dit jaargetijde de oversteek laten maken zonder dat ze zich buiten hun kooi eens behaaglijk warm zouden kunnen maken. Het agentschap was gesloten, we kenden verder niemand, dus ik ging de stad in om een kacheltje te zoeken.

Ik was in Parijs en Londen geweest, maar de ondergrondse in die Europese steden was heel wat duidelijker dan die in New York. Men werkte hier met kleurtjes, die heel weinig van elkaar verschilden op de stoffige treinstellen. Die vage kleuren hebben meer indruk gemaakt dan de nummers van de lijnen denk ik achteraf.

Een kacheltje dat zonder aansluiting op gas of stroom zelfstandig voor wat warmte kon zorgen heb ik niet gevonden. Met het sombere voorgevoel van een koude oversteek voor de runners inspecteerden we de volgende dag de sleep. Daar bleek dat het schip sinds de tweede wereldoorlog als duiventil had dienstgedaan. De dikke laag duivenpoep was niet in korte tijd te verwijderen, zodat de runners op de sleepboot konden blijven.

Had ik de vorige avond rustig een biertje kunnen drinken in plaats van in die koude rot stad naar zo’n stom kacheltje te lopen zoeken. AT0761-08E

oktober 17, 2008
By on 22:55
Ben

Ben was een stevige matroos uit Kampen met een goede inborst. Hij kon heel veel drinken zonder dat hij erg anders werd. Hij werd niet vervelend of agressief, alleen wat waziger zeg maar. Enige tijd liepen we samen wacht. Midden op de oceaan met mooi weer en geen ander schip binnen de horizon kan een nachtelijke wacht lang duren. Met Ben werd soms de wacht op een originele manier verlevendigd. We zongen dan een lied. Meestal een Hollands liedje dat we thuis of op de lagere school hadden geleerd. Als we door ons repertoire, dat niet al te groot was heen waren werd wel eens een kerstlied aangevangen, soms tweestemmig!

Met de sleepboot "Utrecht" lagen we een keer in een haven waar het goed stappen was. Ook deze reis was Ben aan boord. Toen hij op een late avond met enkele maten terugkwam van een gezellige kroegentocht zag ik hem in wankel evenwicht boven aan de trap naar de bemanningsverblijven staan. En of hij toen al een zekere mate van bewusteloosheid genoot of dat die toestand onderaan de trap intrad weet ik  niet, wel moest ik hulpeloos toezien hoe hij in een vrije val de hele trap nam en met zijn hoofd op het betegelde vloertje van het gangetje viel. Het merkwaardige was, dat, terwijl er maar weinig hersencellen actief konden zijn, hij het geopende flesje bier zonder te morsen, ook languit op de vloer liggend nog rechtop in de hand hield.

Met man en macht werd het loodzware lichaam op zijn kooi gelegd. De collega’s hadden veel vertrouwen in het herstellend vermogen van Ben, maar omdat het neerstorten met het hoofd naar beneden op een stenen vloertje toch niet niks is, ging ik even later maar eens kijken of Ben nog ademhaalde. Dat hij ook nu van de drank (en de val) niet erg veranderd was bleek. Hij zat op de rand van het bed met een flesje in de hand en zei alsof er niets was gebeurd:"Biertje stuur?".

mei 29, 2008
By on 21:02
De kok

We hadden een prima kok op de “Octopus”, tenminste als hij nuchter was, maar gelukkig wist hij de tijden van inname meestal zo te kiezen, dat het kombuiswerk er weinig onder te lijden had. Hij bakte prima brood (kneedde het deeg met de hand!) en bereidde de echte Hollandse hap. Voor de liefhebbers was er altijd goed gevulde soep. Een belangrijk ingrediënt in zijn maaltijden was de ui. Jan, een zaankanter van geboorte zei vaak:”Met euien houd ik mijn mensen gezond”.

Jan was al een jaar of vijftig en in zijn jongere jaren een actief lid van de communistische partij. Vlak na de oorlog was hij nog met jonge partijgenoten naar Oost Berlijn gegaan om daar mee te helpen met herstelwerkzaamheden aan de danig verwoeste stad. Na wat biertjes hief Jan nog vaak het lied “Bau auf….” aan. Ik herinner me nog goed de uithaal “fuur ein bessere súúkunft” ergens midden in het gezang. De reis naar Berlijn schijnt voor Jan niet zo lang te hebben geduurd. Hij werd al snel weer naar huis gezonden vanwege zijn houding ten opzichte van de vrouwelijke kameraden, die niets had te maken met socialistische idealen.

Jan was nu niet de knapste meer. Hij had de kleur van een stevig innemer, een beschadigd kunstgebit en warrig peper- en zout haar. Op een avond was hij ook wezen dansen en vertelde bij terugkomst nog verbaasd en bijna nuchter van geluk, dat hij met een prachtige, fantastisch bewegende vrouw had gedanst. Een matroos, die erbij was geweest wist te vertellen hoe deze vrij onwaarschijnlijke combinatie tot stand was gekomen: In zijn alcoholische werkelijkheid zag Jan alleen de schoonheid van de vrouw en niet het feit dat ze blind was*, terwijl zij, als ze Jan had kunnen zien wellicht niet de dans was aangegaan, maar daarbij ook de danskwaliteiten van Jan had moeten missen, want die bleek hij wel degelijk te bezitten. We hebben het paar nog enkele keren zien dansen. Jan was op de bewuste dagen door de collega’s kort gehouden, om de goede indruk van de eerste keer niet te verpesten. 

Als kok was Jan niet te spreken over het vlees dat door de plaatselijke slager werd geleverd. Een varken of  koe was volgens hem domweg in stukken gehakt, zonder een goede scheiding te maken tussen de diverse soorten vlees. Er werd dus ondeskundig uitgebeend. Omdat ik als tweede stuurman de proviandadministratie deed, verzocht Jan mij op een dag de slager uit te leggen hoe het wel moest. Omdat ik daar totaal geen verstand van had stelde ik voor samen naar de slager te gaan, waar hij zou vertellen hoe uit te benen en ik, waar nodig de vertaling kon doen. Dat werd een wandeling met hindernissen, want om bij slager te komen moesten we het hele dorp door, en daarbij alle kroegen en hotels passeren die Larne rijk was. Bij iedere drankzaak stelde Jan voor even één pilsje te nemen en was daar tamelijk volhardend in, maar eindelijk bereikten we, nog alcoholvrij de slager.

Ongelukkigerwijs was het behoorlijk druk in de zaak. Ook toen wij aan de beurt waren. Het werd een mooie voorstelling. Jan kon nog minder Engels dan ik had gedacht, en ik werd me ervan bewust dat ik heel weinig woorden uit het slagersvak kende, en al zeker niet in het Engels. Met grote gebaren en in vloeiend Zaans met af en toe een foute Engelse kreet gaf Jan uitleg, met een pijnlijk glimlachende slager en een grote groep uiterst verbaasde Ierse huisvrouwen als toehoorders.

Over mijn armzalige bijdrage heb ik Jan nooit horen mopperen, want na het inspannende optreden hebben we toch nog even wat gedronken.

*In 2002 heeft wetenschappelijk onderzoek uitgewezen dat mensen onder invloed van alcohol personen van het andere (of hetzelfde) geslacht aantrekkelijker vinden dan in alcoholvrije toestand. Onze kok was zijn tijd dus ver (ongeveer 35 jaar) vooruit.

Uit:‘Lichtelijk gesplitst’

mei 18, 2008
By on 12:26
Schaakmaat

Behalve lezen en slapen aan boord van een sleepboot wordt er buiten de wacht- en werkuren ook wel eens wat gedronken, maar omdat het bedrijf moet blijven draaien en iedereen daarin zijn taak heeft is dat meestal niet zo veel. Er wordt wel aardig wat gepraat. Veel over thuis, en vooral door de jongeren over de avonturen tijdens het stappen in mooie buitenlandse havens.

Buiten het wachtlopen wordt er ook gewerkt: administratie, het inventariseren van voorraden, het inspecteren van veiligheidsmiddelen en navigatie zijn zo wat extra bezigheden, die je niet direct kunt scharen onder de vrije tijd activiteiten.

Zelden kan, vanwege het wachtlopen iets worden georganiseerd waar de gehele bemanning aan meedoet. Toen we op station lagen bij Muscat was er wel wat meer tijd voor iets gezamenlijks en organiseerden we een schaaktoernooi. Een verrassend groot deel van de bemanning bleek te kunnen schaken en was geïnteresseerd.

De werkverhoudingen aan boord zijn vrij hiërarchisch. Tegenwoordig zijn er meestal goede telefoonverbindingen, vandaar dat een kapitein alleen nog schertsend ‘Schipper naast God’ wordt genoemd. In moeilijke momenten voelt een sleepbootschipper zich wel eens zo, echter in die zin dat hij bij gebrek aan een andere meerdere een schietgebedje tot het Opperwezen richt in de hoop op een goede afloop van een hachelijke operatie.

Officieren en bemanning eten in hun eigen messroom en slechts met Kerst of een andere nationale (Christelijke) gelegenheid komt de bemanning ‘naar boven’ voor het bij die gebeurtenissen traditionele hapje en drankje.

Tijdens het schaaktoernooi gebeurde het dat de dekjongen in het kapiteinsverblijf tegen de daar wonende gezagvoerder zijn partijtje speelde. Een mooi staaltje van scheepsintegratie.

Wat niemand aan boord, gezien de arbeidsverhoudingen had gedacht gebeurde: de kapitein moest tegen de koksmaat spelen om de laatste plaats. En ja hoor, die ‘Ouwe’ verloor. Hij kon nooit al zo goed tegen zijn verlies, maar dit was extra pijnlijk. Er kwam nog bij dat de koksmaat één remise minder had gespeeld dan de eerste machinist, zodat de nautische en de technische toppers respectievelijk op de laatste en voorlaatste plaats eindigden.

De gezagvoerder mopperde nog wat korzelig:’De eerste machinist en de kapitein hebben wel wat anders aan hun hoofd dan die spelletjes’.

En nu aarzel ik om de laatste zin te noteren. Maar ja, het is zo’n dertig jaar geleden.

Die kapitein dat was ik.

mei 4, 2008
By on 18:42
De gezellige Yank en nog wat onbegrip

In zijn dankwoord aan president Bush zei de Nederlandse secretaris-generaal van de NAVO dat hij het verblijf op de presidentiële ranch ‘gezellig’ had gevonden. De vertaling van dit zo Nederlandse begrip zou hij later persoonlijk nog eens geven. Het is maar goed dat die poging tot uitleg niet voor de camera’s plaatsvond. De secretaris-generaal is met zijn ietwat scheveschouderverschijning en nogal smartelijke gezichtsuitdrukking niet iemand die je met gezelligheid associeert. En de president? Laten we het er op houden dat hij in voorkomen en het bedrijven van politiek ietwat arrogant overkomt. Niemand zal willen zien hoe een onbeholpen uitleg van ons dierbare Hollandse begrip ‘gezellig’ op slecht verborgen Texaans onbegrip zou kunnen stuiten.

Buiten enkele prettige ontmoetingen met Amerikanen kan ik nog wel enige voorbeelden van meer Amerikaans onbegrip geven:

Miami

We lagen met de sleepboot ‘Friesland’ in Miami. Op de kade stond een man wat achteloos geïnteresseerd naar het schip te kijken. Ik raakte met hem in gesprek. Hij bleek iets met duwboten op de Mississippi te hebben, waardoor ik enig begrip verwachtte over de werking van een zeesleper. Maar dat viel tegen. Hij weigerde te geloven dat dit Duitse vaartuig een sleepdraad van 600 meter had. Het lukte me verder niet om hem te doen geloven dat Nederland niet in Hamburg lag en dat wij een eigen taal hadden. Licht wanhopig geworden schepte ik nog even op over ‘The biggest steelworks in Europe’, (hoogovens IJmuiden) en ‘The biggest seaport of the world’, (Rotterdam), maar hij haalde de schouders op over zoveel grootspraak en slenterde weg over de warme kade.

Trengganu oilfield

Zoals op vele boorlocaties over de wereld was ook hier het management in Amerikaanse handen. Op een dag naderde er een Japanse sleepboot met een ponton beladen met materialen. Ik had al vaker meegemaakt dat op Japanse schepen weinig of slecht Engels werd gesproken. Tijdens een zes weken durende reis op een Japanse sleepboot heb ik vanwege het ontbreken van enige kennis van de Engelse taal bij hem, geen woord met de kapitein kunnen wisselen.

De Japanner met de ponton meldde zich nu via de VHF (radio) met zijn typische tongval en vroeg om instructies. Na vele pogingen kreeg hij pas antwoord van een Amerikaan, die hem in knauwend Texaans toebeet beter Engels te spreken. Na wat schuchtere Japanse pogingen en een oplopende kwaadheid bij de Yank werd de Japanner te verstaan gegeven te ankeren en pas weer op de VHF te verschijnen als hij verstaanbaar was.

Vanaf de sleepboot ‘Ribut’, waarmee we tankers hielpen afmeren hoorde ik het pijnlijke gesprek. Omdat ik wat meer ervaring met Engels en Japans accent had, of met meer begrip probeerde te luisteren besloot ik om als een soort tolk op te treden, waardoor de Japanner toch de mogelijkheid geboden werd zijn lading te lossen. 

Noordzee

Het te verplaatsen booreiland stond onder Amerikaans commando toen drie sleepboten de opdracht kregen vast te maken. Het was winter en de weerberichten waren ongunstig. Door de kapitein van de ‘leading tug’ werd de bevelvoerende Yank afgeraden de ankers te lichten, maar deze onmiskenbare woestijntexaan herhaalde geërgerd zijn opdracht. Toen echter enkele ankers waren gelicht en twee sleepboten vaststonden (wij met de ‘Gelderland’ en een sleepboot van Bugsier) moest vanwege de aanwakkerende storm de operatie halverwege worden gestaakt.

Ik zie de kapitein op de Bugsier boot nog op het topdek staan en met alle macht proberen zijn schip in de wind te houden. Om één of andere reden konden wij het makkelijker houden, maar de Duitser viel uiteindelijk toch teveel af. Hij werd door de storm in een sneeuwbui naar de andere kant van het booreiland geblazen en om te voorkomen dat de zeeën hem over het achterdek zouden overspoelen moest hij zijn sleepdraad, die over een paar ankerdraden heen was komen te hangen laten slippen.

De Duitse kapitein meldde hierop aan onze vriendelijke rigmaster dat hij naar Hamburg ging en zo snel mogelijk met een nieuwe sleepdraad zou terugkeren. Maar om te bewijzen dat het Amerikaanse oliemonster niets van de hele situatie had begrepen bezorgde hij onze dappere Duitse vakgenoot een smadelijke afgang door hem toe te bijten:’You don’t have to come back!’.

april 14, 2008
By on 15:26
De berging van de ‘Nordanhav’ met de ‘Friesland’

Door de bemanning verlaten en met slagzij op de Atlantic

Friesland

Het overzetten van tijdelijke bemanning

Friesland_002

Vastmaken

Friesland_001

april 9, 2008
By on 19:52
‘Ooh, aah…’

Tussen de Noordpunt van Sumatra en de Zuidpunt van Sri Lanka ligt een vrij druk bevaren scheepvaartroute. Het was de achtermiddagwacht op de sleepboot ‘Amsterdam’ en de tweede stuurman was op de brug. Deze jongeman genoot bij onze kapitein weinig vertrouwen. Niet onterecht. Hij leek vaak bezig met dingen die op het moment er nou net niet zo toe deden. Zo beweerde hij een keer op een vraag van de kapitein of alles goed ging, toen we met aardig wat stroom van boei tot boei in Straat Singapore vaarden en hij druk allerlei peilingen verrichtte, dat we exact volgens de vertex vaarden. Met de vertex heb je alleen te maken als je een grootcirkelkoers vaart tijdens een lange oversteek over de oceaan. Zijn navigatie werd daarom nog maar eens extra goed gecontroleerd.

Toch had de man ook zijn goede kanten. Op de eerder genoemde middag was hij oplettend genoeg om een groep drenkelingen waar te nemen. Een aantal koppies tussen wrakhout en ander drijvend materiaal. De machines werden gestopt, de sleep werd goed in de gaten gehouden zodat we die niet tegen ons achterschip zouden krijgen en met behulp van lijnen en boeien werden 19 Taiwanese visserlieden aan boord geholpen.

Ze vertelden dat een brand hun houten boot fataal was geworden en zeer snel was gezonken. Ze hadden veertien uur in het water gelegen en waren verkleumd. Het zeewater was weliswaar 27 graden, maar dat is nog altijd tien graden kouder dan de lichaamstemperatuur. Hun hoofden waren verbrand door de zon en ieder had uiterst pijnlijke en rode ogen door de combinatie van zout water en zonlicht.   

Nadat de mannen onder de douche waren geweest kregen ze –vaak veel te grote- droge kleren van onze bemanning en ging hun eigen spulletje in de wasmachine. Maar het ogenleed was nog niet geleden. De ‘Amsterdam’ was overgenomen van een Duitse rederij en bezat een uiterst uitgebreide apotheek. Na enig zoeken vond ik oogdruppels die mij van toepassing leken op de brandende kijkers van de Taiwanezen. Er was meteen succes, want toen de eerste patiënt liggend op het hospitaalbed de druppels kreeg toegediend ontstegen spontaan kreten als ’Ooh, aah, aah’ zijn mond. Geluiden die de andere omstanders en ik nog niet eerder van een man hadden gehoord. De zeer bevredigende werking van het medicijn was snel bij alle Chinese vissers bekend, zodat na een half uurtje druppelen iedereen weer een heldere blik bezat.

Amsterdam Na enkele dagen konden we de drenkelingen na intensief radioverkeer in Colombo overdragen aan de autoriteiten aldaar. Men had niet veel meer dan een hemd en een broek, maar de hele bemanning van het ongelukkige vaartuig was opgevist!

Kapitein, marconist en geredden

april 6, 2008
By on 16:31
Berging van de ‘Beaver Chief’ met de ‘Octopus’ in Noord Ierland

Octopus_001 In rustig water ten anker naast het wrak

Octopus Materiaal plaatsen

Octopus_002 Weer drijvend met draaiende pompen

april 4, 2008
By on 21:49
De loods

Aan de westkust van Ierland was een kustvaarder gestrand. Verlaten door de bemanning wist het schip, gedreven door wind en stroom de rotsen van Kerry Head nog te omzeilen, maar de stranding was onvermijdelijk. Geluk bij een ongeluk was dat ze zonder noemenswaardige schade op een zandstrand vastliep in Tralee Bay. Onze maatschappij had een bergingscontract afgesloten en wij waren met de “Friesland”  aangewezen het schip vlot te brengen. Om het nodige bergingsmateriaal te laden, moesten we afmeren aan de steiger van het piepkleine haventje van Fenit. Bij het aanlopen van een vreemde haven is het gebruikelijk dat er een loods aan boord komt om met zijn plaatselijke bekendheid het binnenlopen zonder problemen te laten verlopen. Soms voegt een loods weinig toe omdat het vaarwater duidelijk is bebakend en de verbindingen met de havenautoriteiten goed zijn, maar bij het aanlopen van Fenit was dat anders. Er lagen talloze ondiepten en er was geen boeitje te zien. Omdat Fenit schijnbaar slechts bezocht werd door wat lokale vaart was het niet makkelijk aan een loods te komen, maar uiteindelijk werd ons bericht dat zo iemand toch in aantocht was. Even later zagen we een vissersboot naderen. Toen deze langszij gekomen was stapte er een ongeveer zeventigjarige man aan boord met een ruimvallende pet tot op zijn oren en in een wollen jas, die bijna tot zijn enkels reikte. Ierser kon het niet leek me. Op mijn vraag of ook de loods nog kwam antwoordde hij dat hij zelf de daarvoor aangewezen persoon was. Omdat we loodsen gewend waren in uniform, een loods had ook meestal de hoogst haalbare nautische rang, plaatste ik de niet erg tactische vraag, maar de oude scheen zich er niet aan te storen. Op de brug gekomen legde hij de kapitein de keuze voor, voor anker te blijven liggen tot het hoog water was, of gelijk met het tij naar binnen te gaan, dus het opkomend water volgen. Omdat we al zolang hadden gewacht besloot onze gezagvoerder maar anker op te gaan.

We konden weten dat het niet snel zou gaan, maar Iers geduld bleek eindeloos groter dan het Hollandse, want slechts met de telegraaf op nooit meer dan “zeer langzaam vooruit” werd er havenwaarts gevaren. Ik had de opdracht gekregen te sturen. Het eerste wat de loods vroeg was:”Welke koers lig je nu voor?”, “ 175 graden loods”, was mijn antwoord, maar daar bleek de loods niet mee overweg te kunnen. Hij mompelde iets van modern gedoe, en maakte duidelijk dat hij de koers in “streken” wilde horen. Na een beetje graafwerk in mijn zeevaartschoolgeheugen kwam ik op “zuid ten oosten”, wat de loods heel wat bekender voorkwam. Zijn volgende vraag was of het schip was uitgerust met een echolood. Ik wees hem het reeds ingeschakelde apparaat, maar hij bleek niet de intentie te hebben het te raadplegen. Ook met deze zegening van de moderne techniek kon onze oude Ierse vriend niet uit de voeten. Hij verzocht de kapitein aan hem door te geven wanneer de diepte onder de kiel kleiner werd dan 1 voet (ca.30 cm). Dat was nauwelijks af te lezen, maar we zouden door de vloed zo op de hielen te zitten, geen tijd verliezen! Er ontstond toch een goede samenwerking, en terwijl de loods zich oriënteerde op huisjes, struiken en bomen op de ons omringende heuvels vervolgden wij onze weg.

Omdat er zich door de trage voortgang toch een lichte verveling van de kapitein begon meester te maken vroeg hij op een gegeven moment op de buitensporig grote pet van de loods duidend:”Wat zou ie daar toch onder hebben, zal ik er eens een klap op geven?”. Ik kon niet veel meer bedenken dan dat het een bewaarplaats voor pruimtabak kon zijn, maar raadde de kapitein aan van  de jolig bedoelde handeling af te zien vanwege de vrij broze indruk die de enigszins bejaarde loods toch maakte.

Toen we na de urenlange aanloop waren afgemeerd nodigden we de loods uit met ons mee te eten. Eindelijk ging de pet af. Het zicht op ’s mans kale schedel was niet meteen eetlustverhogend (hij had daar zelf geen enkele schuld aan), maar de aanblik benam me ook even de adem, want had onze kapitein zijn uit meligheid geboren daad ten uitvoer gebracht, het zou grote gevolgen voor de loods hebben gehad. Onder het hoofddeksel kwam namelijk een enorme, paarse, rood dooraderde soort bloedbult tevoorschijn. De loods werd nog een glaasje whisky aangeboden voor onze schrik, maar zal niet begrepen hebben waar hij dat aan had verdiend.

Uit:‘Lichtelijk gesplitst’. www.freemusketeers.nl 

april 3, 2008
By on 20:21